Overzicht van wijzigingen met toelichting

In vergelijking met de versie van augustus 2005 zijn de volgende wijzigingen aangebracht in de nieuwe versie van januari 2010:

Toelichting

  • In de nieuwe versie is voorafgaand aan de vragen een algemene toelichting opgenomen waarin de systematiek van de vraagstelling (onderscheid tussen de situatie met ongeval en zonder ongeval) wordt uitgelegd. In de vorige versie werd deze systematiek slechts ten dele en op een veel later moment (voorafgaand aan de vraag naar de situatie zonder ongeval) aan de deskundige duidelijk gemaakt. Deze nieuwe opzet verkleint de kans op misverstanden.
  • In de nieuwe versie is de kop boven vraag 1 gewijzigd. In de oude versie stond boven vraag 1: 'De situatie na ongeval'. Omdat niet alleen de situatie na ongeval, maar ook de situatie voor ongeval bij vraag 1 van belang is, is dit gewijzigd in: 'De situatie met ongeval'. Daarbij is bewust gekozen voor het woord 'met' in plaats van het woord 'na' omdat dit duidelijker het verschil aangeeft met de situatie zonder ongeval.


Onderdeel 1. De situatie met ongeval

  • Verwijzingen naar aanbevelingen RMSR 
    In de nieuwe versie is aansluiting gezocht bij de in de Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage (RMSR). In de eerste plaats wordt waar mogelijk in de vraagstelling verwezen naar de relevante aanbevelingen in de RMSR.
  • Onderscheid en onderlinge samenhang medische informatie
    In de tweede plaats is de opbouw van de nieuwe vraagstelling aangepast aan de aanbevelingen die in de RMSR worden gedaan voor de indeling van een deskundigenrapport. Volgens die aanbevelingen wordt in een deskundigenrapport onderscheid gemaakt tussen informatie afkomstig uit de anamnese, het medisch dossier en het door de deskundige zelf verrichte onderzoek. De deskundige beschouwt deze informatie in onderlinge samenhang en confronteert de onderzochte met eventuele door hem geconstateerde inconsistenties. Dit onderscheid, de integrale beschouwing van de informatie en de confrontatie van de onderzochte met eventuele discrepanties zijn in de nieuwe versie overgenomen en terug te vinden in de vragen 1.a tot en met 1.e.
  • In kaart brengen volledige gezondheidstoestand op vakgebied
    Zoals gezegd is de kop boven vraag 1 gewijzigd in: 'De situatie met ongeval', om duidelijk te maken dat de deskundige bij de beantwoording van de vragen in dit onderdeel de volledige gezondheidstoestand van de betrokkene voor en na ongeval dient te beoordelen en zich niet mag beperken tot (de vermeende gevolgen van) het ongeval. Dit geldt ook voor het afnemen van de anamnese en om die reden wordt de deskundige nadrukkelijk gevraagd melding te maken van alle door de betrokkene op het vakgebied van de deskundige aangegeven klachten en beperkingen, ongeacht of deze door de betrokkene al dan niet aan het ongeval worden toegeschreven.
  • Differentiaaldiagnostische overwegingen
    In de nieuwe versie wordt aan de deskundige standaard gevraagd naar zijn differentiaaldiagnostische overwegingen. In de vorige versie van de vraagstelling werd uitsluitend naar deze overwegingen gevraagd als sprake was van klachten waarbij geen medisch objectiveerbare afwijkingen konden worden vastgesteld. Dit criterium kwam de Projectgroep te beperkt voor. In de RMSR wordt aan de deskundige overgelaten in welke gevallen hij een differentiaaldiagnostische overweging geeft (zie aanbeveling 2.2.15 RMSR). Deze situatie acht de Projectgroep evenmin wenselijk. Uiteindelijk is gekozen om standaard naar de differentiaaldiagnostische overwegingen te vragen. In gevallen waarin de diagnose duidelijk is, levert dit voor de deskundige nauwelijks extra werk op. In de overige gevallen is waarschijnlijk dat deze overwegingen informatie bevatten die relevant is voor de afwikkeling van de schade.
  • Functionele invaliditeit
    In de nieuwe versie wordt niet langer standaard gevraagd naar het percentage functionele invaliditeit. Hieraan liggen verschillende argumenten ten grondslag. In de eerste plaats heeft dit percentage in het merendeel van de gevallen nauwelijks invloed op de omvang van de schadevergoeding. De enige schadepost waarbij de functionele invaliditeit in de praktijk wordt meegewogen, is het smartengeld. Bij de vaststelling van de hoogte daarvan speelt het percentage een geringe rol, omdat het slechts een algemene aanduiding vormt voor de ernst van het letsel; specifieke en meer op de persoon van de benadeelde toegesneden factoren, zoals leeftijd en omvang van de veroorzaakte beperkingen, leggen hier veel meer gewicht in de schaal. Daarbij komt dat de hoogte van het percentage functionele invaliditeit dat aan een bepaald letsel wordt toegekend in de praktijk nogal eens wijzigt (vergelijk bijvoorbeeld het postwhiplash syndroom of het verlies van een oog). Dat maakt dit percentage weinig geschikt als richtsnoer voor de bepaling van de hoogte van het smartengeld.
  • Een tweede argument is dat de vaststelling van het percentage functionele invaliditeit zowel de deskundige als de betrokken medisch adviseurs onevenredig veel tijd en energie kost. Het is een bekend gegeven dat deskundigen vaak moeite hebben met de toepassing van de juiste tabellen uit de AMA-guides en dat een groot deel van de discussie tussen medisch adviseurs betrekking heeft op dit onderwerp. Gelet op de beperkte praktische waarde van dit percentage, is dit volgens de Projectgroep een inefficiënte besteding van tijd en middelen.
    In de derde plaats leidt de vraag naar de functionele invaliditeit volgens de Projectgroep te zeer af van de voor de praktijk veel relevantere vraag naar de bij de benadeelde bestaande beperkingen. Op basis van deze argumenten heeft de functionele invaliditeitsvraag in de nieuwe versie van de vraagstelling een optioneel karakter gekregen. De vraag wordt uitsluitend aan de deskundige voorgelegd, als dat een duidelijk doel heeft (te denken valt aan het bepalen van de hoogte van een uitkering uit een ongevallenverzekering) of als partijen dat om een andere reden uitdrukkelijk wensen. In die gevallen staat het hun uiteraard volledig vrij de vraag aan de deskundige voor te leggen.
  • Beperkingen
    Een vraag die flinke wijzigingen heeft ondergaan in de nieuwe versie, is die naar de beperkingen van de onderzochte. De vorige versie van deze vraag vertoonde in hoofdzaak twee tekortkomingen. In de eerste plaats werd hierin aan de deskundige gevraagd zich uit te spreken over de geschiktheid om betaalde en huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. De deskundige werd daardoor te zeer uitgenodigd om zich uit te laten over zaken die buiten het terrein van zijn deskundigheid liggen. De vaststelling van de gevolgen van de medische beperkingen in het algemene dagelijkse leven (ADL) en andere activiteiten ligt op het vakgebied van arbeidsdeskundigen. In de tweede plaats werd in de vorige versie geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen de subjectieve, door de betrokkene zelf aangegeven beperkingen en de door de deskundige, op grond van zijn bevindingen, aanwezig geachte beperkingen. Hierdoor ontstond het gevaar dat de deskundige bij de beantwoording van deze vraag volstond met een verwijzing naar de in de anamnese genoemde beperkingen. Die zijn doorgaans zeer concreet omschreven, terwijl de deskundige zich in het kader van deze vraag juist zou moeten beperken tot het aangeven van functiebeperkingen in algemene zin.
  • In de nieuwe versie is getracht beide problemen te ondervangen. In de eerste plaats is ervoor gekozen om de deskundige niet langer specifiek te vragen naar de beperkingen bij het dagelijks leven, het verrichten van loonvormende en huishoudelijke arbeid en de vrijetijdsbesteding. Om te voorkomen dat de deskundige bij de beantwoording van deze vraag volstaat met een verwijzing naar de anamnese, wordt in de nieuwe versie aan de deskundige gevraagd de door hem op zijn vakgebied geconstateerde beperkingen op semi-kwantitatieve wijze weer te geven (zie aanbeveling 2.2.18 RMSR) in een afzonderlijk beperkingenformulier. Het is de bedoeling dat voor ieder vakgebied een apart beperkingenformulier wordt opgesteld, waarop uitsluitend de voor dat vakgebied relevante beperkingen zijn opgenomen. Deze beperkingenformulieren zijn op dit moment nog in ontwikkeling en zullen binnen afzienbare tijd aan deze laatste versie van de IWMD-vraagstelling worden toegevoegd. Bij gebruik van de nieuwe versie van de vraagstelling kan vraag 1g worden opgenomen zonder de woorden ['in het bijgesloten beperkingenformulier'].
  • Om duidelijker tot uiting te brengen dat het bij vraag 1g niet gaat om de door de betrokkene zelf aangegeven beperkingen, wordt in de nieuwe versie niet langer gevraagd welke beperkingen de betrokkene ondervindt, maar welke beperkingen naar het oordeel van de deskundige bij de betrokkene bestaan. Daarbij wordt verwezen naar aanbeveling 2.2.17 van de RMSR.
  • Om te bewerkstelligen dat ook de door de onderzochte zelf aangegeven beperkingen op een adequate wijze in het rapport worden weergegeven, is in vraag 1.a (Anamnese) van de nieuwe versie een subvraag opgenomen waarin de deskundige wordt verzocht te vermelden welke beperkingen op zijn vakgebied de onderzochte zelf aangeeft. Om daarvan een zo volledig mogelijk beeld te verkrijgen, is hier wel de uitsplitsing gehanteerd naar activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), huishoudelijke werkzaamheden, loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer.

Onderdeel 2. De situatie zonder ongeval

  • In de nieuwe versie is dit onderdeel uitgebreid met een aantal vragen. Dit betreft allereerst vraag 2.a en 2.b. die specifiek zijn gericht op het vaststellen van klachten, afwijkingen en beperkingen die vóór het ongeval reeds bij de onderzochte aanwezig waren. De reden hiervoor is dat deze categorie bij het beantwoorden van de causaliteitsvraag (vraag 2.c in de nieuwe versie) niet altijd door de deskundige in aanmerking werd genomen.
  • Daarnaast zijn de vragen 2f-2i toegevoegd. De reden voor deze toevoeging is dat wanneer sprake is van klachten en afwijkingen die er zonder ongeval ook zouden zijn geweest (niet-ongevalsgerelateerde klachten en afwijkingen) dit in veel gevallen zal gaan om degeneratieve aandoeningen, zoals bijvoorbeeld artrose, reumatoide artritis, etc. Dit soort aandoeningen neigen tot een geleidelijke toename van klachten, afwijkingen en beperkingen bij het vorderen van leeftijd en daardoor zal ten tijde van een medische expertise zelden sprake zijn van een stationaire toestand van de klachten, afwijkingen en beperkingen. In de nieuwe versie van de vraagstelling is er derhalve voor gekozen in de vragen 2f-2i specifiek te vragen naar de toekomstverwachting van niet-ongevalsgerelateerde klachten, afwijkingen en beperkingen.

Onderdeel 3. Overig

  • In de nieuwe versie is een zogenaamde 'veegvraag' toegevoegd, waarin de deskundige gelegenheid wordt geboden om in zijn ogen relevante bevindingen te vermelden waarnaar niet is gevraagd. Op dit punt wordt tegemoetgekomen aan een zowel in de praktijk als onder deskundigen (vergelijk aanbeveling 2.2.11 RMSR) gevoelde behoefte.


Onderdeel 4. Overige aspecten van de hypothetische situatie zonder ongeval

  • Deze vraag maakt in de nieuwe versie niet langer deel uit van de vraagstelling causaal verband bij ongeval. Daaraan hebben verschillende overwegingen ten grondslag gelegen. Een daarvan is dat de vraag uitdrukkelijk was bedoeld als optioneel. In de praktijk werd de vraag echter standaard aan deskundigen voorgelegd. Om het optionele karakter te benadrukken, heeft de Projectgroep ervoor gekozen de vraag in een afzonderlijk document te plaatsen, los van de hiervoor besproken onderdelen van de nieuwe versie van de vraagstelling causaal verband bij ongeval.
  • Een tweede overweging is gelegen in één van de twee beschikkingen van de Hoge Raad van 22 februari 2008. Hierin oordeelde de Hoge Raad dat het de rechter vrijstaat om een vraag niet op te nemen, als daarin van de deskundige een oordeel wordt gevraagd over aspecten die buiten zijn eigen vakgebied liggen. In vraag 3 van de vorige versie wordt aan de deskundige gevraagd een inventarisatie te maken van klachten en beperkingen buiten zijn eigen vakgebied. De deskundige hoeft deze klachten niet te beoordelen (daarmee zou hij buiten zijn boekje treden) maar slechts te signaleren (daarmee zou hij niet buiten zijn boekje treden). Door dit subtiele verschil zou deze vraag wellicht genade vinden in de ogen van een rechter die daarover moet oordelen (een en ander hangt uiteraard ook samen met de breedte van het vakgebied van de deskundige), maar ongelukkig is deze constructie wel. De projectgroep onderzoekt momenteel in hoeverre dit kan worden ondervangen door aanpassing van de toelichting bij deze vraag.

Onderdeel 5. Het genezingsproces en de opstelling van betrokkene daarin

  • Ook deze vraag maakt in de nieuwe versie niet langer deel uit van de vraagstelling causaal verband bij ongeval. De reden daarvoor is dat deze vraag – die evenals de zojuist besproken vraag 3 bedoeld was als optioneel – in de praktijk standaard aan deskundigen werd voorgelegd. De vraag zal worden gehandhaafd in een afzonderlijk document.