Vraagstelling medische aansprakelijkheid

Behalve met de vraagstelling naar het causaal verband bij ongevallen, heeft de Projectgroep medische deskundigen zich ook beziggehouden met de vraagstelling voor deskundigenonderzoeken in medische aansprakelijkheidszaken. Op het moment dat een medische fout vaststaat, zal net als bij ongevallen moeten worden vastgesteld wat de gevolgen daarvan zijn voor het slachtoffer. Maar de voorvraag in medische aansprakelijkheidszaken, de vraag óf er een medische fout is gemaakt, verloopt in de praktijk vaak al net zo problematisch. In de meeste gevallen zullen partijen een beroep doen op een onafhankelijke medische deskundige om het handelen van de aangesproken hulpverlener in kwestie te beoordelen. Inschakeling van een medische deskundige verloopt vaak echter niet zonder slag of stoot; als partijen het buiten rechte al eens worden over de persoon van de deskundige, dan moet er niettemin toch nog vaak een rechter aan te pas komen om een moeizame en tijdrovende discussie over de vraagstelling te beslechten. 

Binnen een subgroep van de IWMD heeft de Projectgroep medische deskundigen getoetst in hoeverre het wenselijk en haalbaar is om ook in medische aansprakelijkheidszaken te streven naar de ontwikkeling van een ‘studiemodel’ voor een vraagstelling, zoals bij de vraagstelling naar causaal verband. Dit heeft geleid tot een tweetal besprekingen waar leden van deze IWMD-subgroep met elkaar hebben gedebatteerd op basis van een op voorhand door de Projectgroep opgestelde notitie. Deze notitie geeft onder meer uitleg over het meest in het oog springende verschil van inzicht tussen partijen over de vraagstelling in medische aansprakelijkheidszaken, namelijk aan de ene kant de opvatting dat de vragen voor de deskundige een expliciete verbinding moeten leggen met de ‘professionele standaard’ en aan de andere kant de opvatting dat de deskundige zo veel mogelijk de feitelijke situatie op basis van feitelijke vragen beschrijft en analyseert. In de eerste opvatting wordt van de deskundige een normatief oordeel gevraagd; in de tweede opvatting wordt het normatieve element in de vraagstelling geminimaliseerd en is de rol van de deskundige beperkt tot feitelijke issues.

De discussie binnen de IWMD-subgroep leverde geen consensus op voor de formulering van een aantal concrete in een vraagstelling op te nemen subvragen. Wel kon de conclusie worden getrokken dat een normatieve vraag aan de expertiserend arts zo niet onvermijdelijk, dan toch in elk geval te verkiezen is boven een zuiver feitelijke vraagstelling - al hield een enkeling vast aan zijn voorkeur voor dat laatste. Het komt er dan wel op aan de vraagstelling zodanig vorm te geven dat de expertiserend arts effectief wordt uitgenodigd om inzicht te geven in de overwegingen en omstandigheden die hij in zijn oordeel heeft betrokken en het gewicht dat hij daaraan heeft toegekend. Dat geeft de juristen vervolgens de ruimte om de redenering van de expertiserend arts en het oordeel waartoe hij op grond daarvan is gekomen, vanuit het eigen, juridische perspectief te evalueren. Voor zover de expertiserend arts aan bepaalde overwegingen of omstandigheden een ander gewicht heeft toegekend dan vanuit juridisch oogpunt is geboden, kan dit dan bij deze juridische oordeelsvorming worden rechtgezet.

Deze conclusie is verwoord in een - voorlopig afrondend - artikel over dit onderwerp eind 2009 in het Tijdschrift voor Personenschade van A.J. Akkermans, L.G.J. Hendrix en A.J. Van, De vraagstelling voor expertises in medische aansprakelijkheidszaken. In dit artikel wordt ook ingegaan op de stand van de rechtspraak met betrekking tot de vraagstelling in medische aansprakelijkheidszaken en worden tevens andere relevante bronnen, zoals de Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage, in het overzicht betrokken.