Fraudeur in beeld

Uit onderzoek van de Vrije Universiteit Amsterdam blijkt dat kennis over de persoon van de fraudeur in belangrijke mate kan bijdragen aan een beter begrip en effectievere aanpak van ernstige fraude. De overheid en wetenschap lijken dergelijke fraude vooral te duiden aan de hand van gelegenheden, regulering en handhaving. Fraude zou zich vooral voordoen wanneer daartoe veel gelegenheid is en er nauwelijks sprake is van goede regulering of handhaving. De fraudeur zelf blijft zo grotendeels buiten beeld.

05-07-2018 | 12:33

VU-criminoloog Joost van Onna geeft in zijn promotieonderzoek drie verklaringen voor hoe en waarom burgers, ondernemers en bestuurders zich inlaten met ernstige fraude. Naast de fraudegelegenheden die het werk biedt, zijn dit verzwakte maatschappelijke bindingen en flexibele en afwijkende morele opvattingen van fraudeurs. Deze twee individuele factoren blijken van groot belang voor het verklaren waarom sommige individuen zich inlaten met ernstige fraude terwijl anderen ervan afzien. Personen die zich kenmerken door een verzwakte binding met de samenleving en door een afwijkend moreel kompas, lijken een grotere kans te hebben tegen fraudegelegenheden aan te lopen, zelf mogelijkheden voor fraude te creëren, of onder de druk en verleidingen van de situatie te bezwijken.

Crimineel op late leeftijd
Een opvallende uitkomst in Van Onna’s onderzoek is dat de ontwikkeling tot fraudeur bij de meerderheid van de fraudeurs begint in volwassenheid. Dit betekent dat de criminele carrière van fraudeurs afwijkt van die van andere dadergroepen. De vroege signalering van potentiële fraudeurs aan de hand van risicofactoren uit de jeugd, zoals een strafblad, lijkt hiermee weinig soelaas te kunnen bieden. Het zijn juist veranderingen in het volwassen zakelijke en privéleven van de fraudeur (qua omstandigheden op het werk, maatschappelijke binding en morele opvattingen) die een belangrijke rol lijken te spelen bij de start en continuering van fraude.

Hoe fraude tegen te gaan
Op basis van deze bevindingen doet Van Onna meerdere aanbevelingen voor de praktijk, uiteenlopend van preventie tot sanctionering. Zo suggereert Van Onna dat organisaties zich tegen fraude  zouden kunnen beschermen door bij de selectie en monitoring van medewerkers op kwetsbare posities expliciete aandacht te besteden aan morele opvattingen en maatschappelijke binding. Ook suggereert Van Onna dat de strafrechtketen, waaronder het OM en de Reclassering, kunnen bijdragen aan het reduceren van recidive door zich bij fraudeurs ook te richten op het verstevigen van de maatschappelijke binding van fraudeurs.