De prijs van het migratiebeleid

De grenzen van Europa behoren de laatste drie decennia tot de dodelijkste ter wereld. Een groep VU-onderzoekers onder leiding van hoogleraar migratierecht Thomas Spijkerboer deed vijf jaar onderzoek naar de zogenoemde grensdoden. Op 14 en 15 juni vond aan de VU het afsluitende internationale congres plaats. Thomas Spijkerboer vertelt over het congres en het achterliggende onderzoek.

09-07-2018 | 14:28

Het congres 'Border deaths and migration policies: state and non-state approaches' was het eerste mondiale congres over dit onderwerp. Onder de aanwezigen waren onderzoekers, beleidsmakers en NGO’s van over de hele wereld.

Spijkerboer: “Er waren voornamelijk Europeanen, maar daarnaast waren er ook mensen uit de grensgebieden tussen de Verenigde Staten en Mexico, hadden we inbreng per video uit Honduras en deelnemers uit Algerije, Australië en Zuidoost Azië. Het was ontroerend om te zien hoe al deze mensen die elkaar alleen maar kenden via Skype of werk, bij elkaar kwamen.”

Het onderzoek van Spijkerboer is in te zien via de website Human Costs of Border Control, waar nauwgezet Europese grensdoden zijn gedocumenteerd. Het zijn mensen die stierven terwijl ze probeerden zuidelijke EU-landen te bereiken vanuit de Balkan, het Midden-Oosten en Noord- en West-Afrika, en wier lichamen werden aangetroffen of gebracht naar Europa. Elk van de punten in de grafiek komt overeen met één dode migrant. Harde cijfers, die de menselijke prijs van het grensbeleid inzichtelijk maken.

Wat is de belangrijkste conclusie uit uw onderzoek?
Spijkerboer: “Al die doden op de Middellandse zee hadden we kunnen voorkomen. We hebben zeer nauwgezet onderzoek verricht, waardoor we beter grip kregen op hoe het achterliggende proces werkt waarin zoveel mensen omkomen. Er hoeft namelijk niemand om te komen op de Middellandse Zee, waar dagelijks talloze veerboten op en neer gaan. Ooit gehoord dat iemand daar is omgekomen?”

Wat is er dan gebeurd?
Sinds 1990, met de harmonisatie van het visumbeleid, heeft Europa haar grondgebied afgesloten. Inwoners uit arme landen hadden voortaan standaard een visum nodig, want zonder kwam je niet aan boord van een boot of vliegtuig. Die visa zijn daarbij technisch zo goed gemaakt dat ze moeilijk te vervalsen zijn. Dankzij dit systeem, dat steeds verder is verfijnd, nemen mensen vaker een smokkelaar in de arm. Het punt is nu dat dit systeem er niet voor zorgt dat er geen migranten komen. De meeste mensen die zonder rechtmatig verblijf in Europa worden aangetroffen zijn met een geldig visum binnen gekomen. De belangrijkste constatering is dan dat het beleid dat Europa afsluit voor mensen zonder visum niet over een grote groep gaat – de meesten komen hier immers mét visum – maar over een relatief kleine groep, waar vervolgens enkele procenten van omkomt. Dankzij datzelfde visumsysteem.

Wat is dan de oplossing?
Aangezien het om een relatief kleine groep gaat, zouden we EU-breed en in samenwerking met landen als Canada en Australië kunnen besluiten geen visa te vragen aan mensen waarvan we zeker weten dat ze asiel krijgen. Die mensen mogen naar veilige gebieden reizen en worden pas bij aankomst gecontroleerd. Het tweede punt is dat juist doordat Europa een steeds strenger beleid hanteert, mensen die hier eenmaal zijn niet meer weg gaan. Vaak omdat ze niet meer kunnen. De meeste migranten willen naar Europa om een aantal jaar te werken, flink te sparen en dan weer terug naar huis te gaan. Maar als het heel duur en levensgevaarlijk is om hier te komen, gaan ze niet snel meer terug. We moeten toe naar een ademend systeem voor vluchtelingen en migranten, dat voor migranten meebeweegt met de arbeidsmarkt. Dan voorkomen we de ellende van illegaliteit en de verdrinkingen. Dat is niet alleen onpraktisch, maar bovenal ellendig. Een strenger beleid leidt niet tot minder migranten. Integendeel.

Waarom gebeurt dit niet?
Europese beleidsmakers leven in een utopie. Ze denken dat ze menselijke beweging kunnen beheersen. Maar utopie en beleid verhouden zich niet tot elkaar. Beleidsmedewerkers werken inmiddels al decennia aan deze externalisering waardoor zij een tunnelvisie hebben ontwikkeld. Als het beleid dan vervolgens niet werkt kennen ze maar een optie: nog strenger beleid.

Wat denkt u te kunnen bereiken met uw onderzoek?
Ik ben in de eerste plaats een academicus. Ik praat en publiceer dus zoveel mogelijk om mijn visie en onderzoeksresultaten onder de aandacht te kunnen brengen. Maar de wetenschapper is eigenlijk de nar aan het hof van de middeleeuwse koning: de nar probeert de waarheid te zeggen, maar of de koning luistert beslist de koning.

Dit onderzoek is afgerond. Hoe nu verder?
Onze bevindingen zijn gepubliceerd. De meeste van mijn teamleden zijn toe aan ander onderzoek. Dit onderzoek is emotioneel belastend. De afgelopen weken heb ik met mijn team nagepraat. Bij sommigen heeft het onderzoek geleid tot secundaire traumatisering, met name bij de mensen die van het ene naar het andere bevolkingsregister gingen en overlijdensaktes hebben doorgenomen. Achteraf bezien hadden we daar veel meer op bedacht moeten zijn, maar we wisten niet dat secundaire traumatisering bij onderzoekers voorkwam. Collega’s die onderzoek doen naar bijvoorbeeld kindermisbruik of oorlogsmisdrijven zullen hier ook mee te maken hebben. Hier moeten universiteiten dus wat mee. Dat zou bijvoorbeeld kunnen via de ethische commissies van de faculteiten. Zo kunnen er standaard interventies worden gepleegd en moeten we niet wachten tot het fout gaat. Een aantal onderzoekers heeft hulp gezocht omdat zij overbelast raakten door de permanente confrontatie met de dood. Dat is inherent aan dergelijk onderzoek, maar collega’s na ons kunnen de schade meer beperken dan ons gelukt is.

Human Costs of Border Control

Foto: Bob Bronshoff