Veel geweld in de psychiatrie maar weinig aangiften bij politie

Meer dan andere beroepsgroepen hebben hulpverleners in de psychiatrie te maken met fysiek geweld, soms met ernstige gevolgen. Tegelijkertijd is er juist in deze sector onduidelijkheid over hoe dit geweld afgehandeld moet worden en in welke gevallen een strafrechtelijke reactie op zijn plaats is. Dit blijkt uit onderzoek onder leiding van universitair hoofddocent Criminologie Joke Harte.

08-11-2017 | 10:55

Slachtoffers in de psychiatrie die aangifte overwegen stuiten op een aantal knelpunten en dilemma’s. Het gevolg is dat zij vaak geen aangifte doen van deze geweldsdelicten. Onderzoekers van de afdeling Politie en Wetenschap brachten de barrières bij het doen van aangifte van geweld in de psychiatrie in kaart en keken wat de GGZ, de politie en het OM kunnen doen om slachtoffers beter te ondersteunen.

Hulpverleners ervaren drempel
Alle betrokken partijen menen dat agressie en geweld tot op zekere hoogte hoort bij het werk in de psychiatrie. Maar het is onduidelijk waar de grens van het toelaatbare ligt. Bij geweld in de psychiatrie wordt vaak verondersteld, zonder dat dit nader is onderzocht, dat de patiënt door de psychiatrische stoornis niet verantwoordelijk is voor het geweld. Slachtoffers die aangifte doen bij de politie doorbreken op dat moment hun beroepsgeheim. De regels over de gronden waarop dit mag zijn streng en zo ingewikkeld dat het slachtoffer vaak afziet van het doen van aangifte. Anders dan in overige sectoren moet het slachtoffer in de psychiatrie vaak zorg blijven verlenen aan de patiënt die gewelddadig is geweest. De hulpverlener is soms bang om aangifte te doen omdat hij of zij bang is voor represailles door de patiënt. Volledige anonimiteit van het slachtoffer kan in een strafproces niet worden gegarandeerd.

Gezamenlijk werken aan oplossingen
Voor slachtoffers in de psychiatrie die een aangifte overwegen, speelt vergelding vrijwel nooit een rol. Zij hebben vooral behoefte aan bescherming, niet alleen van henzelf maar ook van collega’s en patiënten. Om tot verbeteringen in de praktijk te komen, moeten de GGZ, politie en het openbaar ministerie gezamenlijk werken aan praktische oplossingen voor de knelpunten. Slachtoffers kunnen worden geholpen door hen te horen en goed te informeren. Er moet worden gezocht naar mogelijkheden om de zorg aan patiënten die gewelddadig zijn geweest voort te zetten zonder dat slachtoffers hiervan hinder ondervinden.

Voor dit onderzoek zetten de wetenschappers inventariserende enquêtes uit en namen 35 diepte-interviews af bij slachtoffers die aangifte deden, leidinggevenden uit de GGZ, politiefunctionarissen, leden van de rechterlijke macht en andere betrokkenen. Ook verzamelden zij beleidsprogramma’s en documenten die betrekking hebben op de afdoening van geweld tegen hulpverleners.