Groot verschil tussen HvJEU en EHRM bij migratieregulering

27-10-2017

11.45

Aula

Adjudicating the Public Interest in Immigration Law

E. Hilbrink

prof.mr.dr. T.P. Spijkerboer, prof.mr. H. Battjes

Faculteit der Rechtsgeleerdheid

Rechten

Promotie

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geeft structureel een onjuiste voorstelling van zaken, als het gaat om de factoren die doorslaggevend zijn bij de beantwoording van de vraag of verblijfsweigering aan migranten in overeenstemming is met het recht op privé- en gezinsleven (Artikel 8 EVRM). In zijn uitspraken merkt EHRM merkt hierover standaard op dat het zal beoordelen of, gelet op de omstandigheden van het geval, het individuele belang en het belang van de staat op een eerlijke manier tegen elkaar zijn afgewogen. In werkelijkheid hanteert het Hof in meer dan de helft van dit type zaken een vastomlijnd beslissingsmodel. Een model, waarin stelselmatig voorrang wordt gegeven aan het recht van staten om migratie te reguleren. Of de staat in het concrete geval een voldoende zwaarwegend belang had bij weigering van de persoon in kwestie, is in dit beslissingsmodel niet relevant. Ook de gevolgen van verblijfsweigering voor de betrokken individuen hebben in dit model geen zelfstandige betekenis. Van een belangenafweging in het licht van de omstandigheden van het geval is dus geen sprake.

In de rechtspraak van Het Hof van Justitie van de EU (HvJEU) daarentegen, staat niet het recht van staten om migratie te reguleren, maar juist de bevordering van migratie voorop. Steevast fluit het HvJEU lidstaten terug die al te vanzelfsprekend beperkingen stellen aan door de EU toegekende individuele rechten op het gebied van vrij verkeer en gezinshereniging. Zo verbiedt het HvJEU de automatische toepassing van beperkende criteria. Lidstaten moeten in elk concreet geval kunnen uitleggen waarom een individu geen recht heeft op toegang of verblijf. Ook mogen lidstaten overtreding van procedurele voorschriften niet opvoeren als zelfstandige grond voor verblijfsweigering, dus los van de vraag of aan de materiële voorwaarden voor verblijf is voldaan. Het HvJEU beoordeelt dus steeds of staten wel voldoen aan de verplichting de omstandigheden van het geval inhoudelijk te beoordelen.

Eva Hilbrink trekt deze conclusies in haar proefschrift op basis van een systematische analyse van ruim 200 uitspraken van de twee hoogste Europese rechterlijke instanties op het gebied van het migratierecht: het EHRM en het HvJEU. Zij ging na in hoeverre deze twee hoven zich uitspreken over de redenen die staten ten grondslag leggen aan concrete besluiten tot verblijfsweigering.

Hilbrinks uitkomsten werpen nieuw licht op de heersende opvatting dat de belangenafweging in de rechtspraak van het EHRM in gezinsmigratiezaken ondoorzichtig is. Daarnaast laat Hilbrinks analyse zien hoe de beoordeling van ‘de omstandigheden van het geval’ voor beide hoven een verschillend doel dient: het EHRM wil voorkomen dat het staten voor de voeten loopt bij het reguleren van migratie, terwijl het HvJEU juist probeert te voorkomen dat staten de bevordering van vrij verkeer van Unieburgers en het recht op gezinshereniging frustreren. Dit gegeven is van belang voor de nationale praktijk, omdat daar beslissingen tot verblijfsweigering vaak zowel aan Artikel 8 EVRM als aan het EU-recht moeten worden getoetst. Door inzicht te verschaffen in welke aspecten wel en welke juist niet een rol kunnen spelen in de afzonderlijke beoordelingskaders, laat Hilbrink zien dat de beide beoordelingskaders niet zomaar op een hoop kunnen worden gegooid.