Kerkgenootschap en de scheiding van staat: op zoek naar een nieuwe balans in de 21e eeuw

21-12-2017

13.45

Aula

Het kerkgenootschap in de neutrale staat

T. van Kooten

prof.mr. T.J. van der Ploeg, prof.mr.drs. B.P. Vermeulen

Faculteit der Rechtsgeleerdheid

Rechten

Promotie

Vanouds waren 'kerk' en 'staat' twee tegenover elkaar staande grootheden. Dat is al lang niet meer zo. Zij staan niet meer met de rug naar elkaar toe: de staat is weliswaar neutraal ten opzichte van religieuze gemeenschappen maar dat houdt in dat hij religieuze gemeenschappen niet ongelijk behandelt zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardigingsgrond aanwezig is. De houding van de Staat ten opzichte van religie in het algemeen is positief; dat blijkt ook uit de omstandigheid dat kerkgenootschappen stelt Teunis van Kooten in zijn promotieonderzoek. Als religiegemeenschappen aan een reeks voorwaarden voldoen, in aanmerking kunnen komen voor fiscale voordelen.

Geloofsgemeenschappen hebben binnen het kerkgenootschap een grote mate van vrijheid om de eigen organisatie en bestuur in te richten naar eigen inzichten en bijvoorbeeld eigensoortige rechtspersonen in het leven te roepen, maar niet onbegrensd aangezien de wetgever deze vrijheid kan beperken. Kerkgenootschappen hebben ook te maken met belemmeringen in hun functioneren als maatschappelijke organisaties. Die belemmeringen kunnen bijvoorbeeld zijn gelegen in een beperking om inkomsten uit verhuur te verwerven indien men daarbij wil handelen conform de eigen religieuze normen. Die beperking vloeit voort uit de gelijke-behandelingswetgeving. Een andere belemmering is dat bezoldigde kerkelijke ambtsdragers geen gebruik kunnen maken van het stelsel van sociale zekerheid indien een kerkgenootschap bijvoorbeeld principieel niet kan kiezen voor het aangaan van arbeidsovereenkomsten met deze kerkelijke ambtsdragers. Verder worden kerkgenootschappen belemmerd in hun functioneren als het gaat om registratie van gegevens in het handelsregister.

Van Kooten geeft als aanbeveling dat de overheid een reeks objectieve criteria ontwikkelt aan de hand waarvan zij kan beoordelen of kerkgenootschappen of hun ambtsopleidingen in aanmerking kunnen komen voor subsidies. Ook zou de overheid een afweging van belangen en grondrechten moeten maken waarbij recht wordt gedaan aan de organisatorische vrijheid en autonomie van kerkgenootschappen maar ook recht wordt gedaan aan de plicht tot verantwoording van besteding van verleende subsidies voldoen, in aanmerking kunnen komen voor fiscale voordelen.

Voorafgaand aan de promotie vindt het gelijkknamige symposium plaats.

Meer informatie over het proefschrift in DARE